02 – Hoe Mijn Innerlijke Kind Mij Terugvond, Dankzij Mijn Dagboeken
Natuurlijk was ik niet in één klap rock bottom. Aan zoiets gaat veel vooraf. Maar als ik nu tot de kern moet komen, zeg ik dit: ik heb nooit geleerd om te verwerken, te rouwen, los te laten en te accepteren. Ik was vaker in therapie gegaan, maar stond mezelf nooit toe om tot de kern te gaan. Ik moest er nooit aan denken om terug te keren naar oude pijnen. Op het moment dat mijn voormalig therapeut Kurt begon over schematherapie, voelde dat dan ook als verraad.
Galin, mijn geliefde, had gezegd dat ik echt hulp nodig had.
‘Schat, je hoeft je niet te schamen. Je bent niet zwak en ik zal je te allen tijde steunen. Zoek goede hulp, ga de diepte in. Ik ken Kurt niet, maar ik heb me ingelezen in schematherapie en denk dat het goed voor je kan zijn. Als je het niets vindt, stop je er toch mee. Maar geef het wel een kans.’
Huilend was ik weggelopen en op het logeerbed had ik me leeggehuild. Daarna pakte ik mijn telefoon en begon te zoeken naar een psycholoog.
Ik kwam uit bij Wise In My Way. Die naam sprak me meteen aan. Net toen ik wilde klikken, las ik eronder: Therapie & inzicht vanuit eigen ritme en innerlijke wijsheid. Ik bleef even kijken. Galin kwam vragen hoe het met me ging en ik liet hem zien wat ik had gevonden.
‘O, ik begrijp meteen waarom dit je aanspreekt,’ zei hij. ‘Klik er eens op. Ga eerst informeren, je hoeft nu nog niets toe te zeggen.’
Hij trok me omhoog en gaf me een knuffel. ‘Zet door, schat. Ik gun het je zo. En ik ben bij je. Altijd.’
Zo kwam ik bij Mel terecht. Ze had net haar nieuwe praktijk geopend en daardoor was er geen wachtlijst. Ik had geluk gehad. Volgens mij keek ik vrij glazig toen ze dat zei en dacht ik: ja hoor… wat een geluk.
Mel vroeg waarom ik aan schematherapie dacht terwijl ik zo duidelijk twijfelde. Eerlijk antwoordde ik dat het me was aangeraden door Kurt en dat Galin het me ook had geadviseerd, maar dat het me een schuldgevoel gaf. Alsof mijn ouders me niet goed hadden opgevoed, en ik kon hen niets meer vragen, want ze leefden niet meer. Ik had, dacht ik, goede gesprekken met hen gehad toen ik wist dat ze ongeneeslijk ziek waren. Het moest nu toch uitgesproken en klaar zijn.
Het werd stil. Mel keek me aan en daarna naar haar schrijfmap. Terwijl ze schreef, zei ze:
‘Wat ben jij streng voor jezelf.’
Wat moest ik daarop zeggen? Net toen ik iets wilde antwoorden, vroeg ze:
‘Ben jij dat die zo streng is voor jezelf, of is jou dat verteld?’
‘Mij verteld? Wie zou mij dat verteld hebben?’
‘Dat weet ik niet,’ zei ze, ‘maar ik kan me niet voorstellen dat jij zo tegen jezelf spreekt. Het klinkt niet aardig. Waar ik je wel op wil wijzen: je hoeft je niet schuldig te voelen. In schematherapie kijken we naar ervaringen uit je vroege jaren die nu nog invloed hebben. Jij vertelt dat je op de lagere school werd gepest. Laten we eens onderzoeken welke dingen van toen je nu nog in de weg zitten. Jij koppelt het vooral aan je ouders, maar het is veel breder.’
Ik voelde iets van spanning uit mijn schouders wegtrekken.
‘Oké, ik dacht dat het om de opvoeding ging.’
‘Dat hoeft niet,’ zei Mel. ‘Als jij je ogen eens sluit en aan je kindertijd denkt, hoe zie je jezelf dan?’
Ik keek naar buiten.
‘Als je liever je ogen openhoudt, vind ik dat ook prima. Maar probeer het toch eens.’
Met een zucht sloot ik mijn ogen. Meteen zag ik mezelf, een jaar of drie oud.
‘Ja,’ zei ik, ‘ik zie me staan. Mijn haar in twee staartjes, een vrolijk gebloemd rokje, een wit bloesje met een gebloemd kraagje en lakschoentjes. Typisch jaren zeventig.’
‘Mooi. En als je jezelf zo ziet, hoe voelt dat voor je?’
‘Goed. Veilig. Warm. Blij. Onbezorgd.’
‘Kun je bij haar komen?’
Op dat moment klapten mijn traanbuizen open. Ojee. Daar ga ik. De tranen stroomden over mijn wangen.
‘Wat gebeurt er?’ vroeg Mel.
Al snikkend zei ik: ‘Er komt een zwaar gevoel over me heen. Ik heb haar in de steek gelaten.’
‘Doe je ogen maar open.’
Toen ik mijn ogen opende, reikte Mel me een tissue box aan. Ik droogde mijn tranen en nam een slok drinken. Ze vroeg of het te heftig was geweest. Dat was het niet. Waarom zou mijn kleine ik te heftig voor me zijn? Het was confronterend. Confronterend dat ik zo’n onbezorgd kind was, en me daar nu zo ver vandaan voelde.
‘Zullen we een afspraak voor volgende week maken?’
Heel even dacht ik: volgende week al?
We maakten een afspraak voor de week erop.
Onderweg naar huis dacht ik alleen maar aan mijn innerlijke kind. Dat goede, veilige, warme, blije en onbezorgde gevoel, wat heerlijk.
Thuis klapte ik mijn laptop open en zocht in mijn map met foto’s. Al snel vond ik de foto en printte die uit. Daarna groef ik achter in de grote kledingkast. Daar vond ik de dozen. Iets waar ik op mijn negende mee was begonnen, zou nu goed van pas komen. Het was zwaar, maar ik kreeg ze eruit: drie volle dozen.
Drie dozen, elk met vijftig dagboeken. In de la van het logeerbed stond nog een doos met bijna dertig dagboeken, vanaf 2018.
Zodra ik had leren schrijven, was er geen houden meer aan. Eerst oefende ik thuis de woordjes die ik op school had geleerd. Al snel schreef ik korte verhaaltjes of beschreef ik de leukste dingen die ik had meegemaakt. Juf Kruiver moedigde me aan en gaf me een extra schrift om alles in te schrijven wat ik maar wilde.
Op mijn negende verjaardag kreeg ik van mijn grootmoeder mijn eerste dagboek. Er zat een slotje op, wat ik meteen fascinerend vond. Ze legde me uit dat een dagboek was om alles in op te schrijven wat je wilde. Door het slotje bleef het geheim, wat je erin schrijft is alleen van jou. Dat vertelde tante Lies erachteraan.
Ze zei ook dat ik het een naam mocht geven. Als ik schreef, zou ik aan die naam schrijven.
‘Dan noem ik het Zilly!’
Het werd even stil in de huiskamer.
‘Zilly?’ vroeg mama. ‘Hoezo Zilly?’
‘Die mooie mevrouw op tv gisteren heette zo!’
Mama lachte. ‘Zo heette ze niet. Silly is Engels voor “gek”.’
‘En toch vind ik het een mooie naam. Dus mijn dagboek heet Zilly.’
Mijn grootmoeder zei meteen: ‘Schat, het is een prachtige naam. Jouw dagboek heet Zilly.’
En hoe veranderlijk ik ook altijd ben geweest, de naam bleef. Zilly werd mijn vertrouweling, mijn vaste baken en mijn beste vriend.
Mama zei later dat ik de dagboeken moest bewaren. Als kind vond ik dat onzin, maar voor ieder dagboek kreeg ik van haar een nieuw exemplaar en vijf gulden. Zo was ik om te kopen. Na een paar jaar vond ik het niet meer nodig, maar zij liet het altijd zo. Ze bewaarde ze in dozen, met daaromheen een ketting met een cijferslot. Alleen mama en ik wisten de code. Zo bleven ze veilig; niemand kon erbij. Dat stelde me gerust.
Ik weet nog dat ze me in de zomer van 2006 twee volle dozen bracht. Wat was ik blij. Ik las over mijn eigen ontwikkeling, vanaf mijn negende jaar. Wat een bezit.
Hier kon ik nu veel aan hebben. Vandaag niet meer, daarvoor had ik geen energie.
Maar ik wist: dit was geen einde.
Dit was een nieuw begin.